Teun was achttien jaar oud, een slungelige jongen met warrig bruin haar en ogen die altijd een tikje onzeker de wereld in keken. Hij groeide op in een klein dorpje, een eind van de stad, waar de dagen traag voorbij kropen en de avonden gevuld waren met het geruis van de wind door de appelbomen. Zijn ouders werkten hard op de boerderij van zijn opa, en Teun hielp waar hij kon, maar diep vanbinnen droomde hij van een leven vol avontuur, van steden met neonlichten en verhalen die niet eindigden in modderige velden. School was al voorbij, en hij wachtte op een baan in de fabriek, iets dat hem uit de sleur zou halen. Maar op een regenachtige middag in de herfst van zijn laatste zomer thuis, veranderde alles.


Het begon onschuldig genoeg. Buurvrouw Janneke, de weduwe die in het grote, vervallen huis aan het eind van de straat woonde, had Teun al wekenlang in de gaten. Ze was een vrouw van in de zestig, met grijs haar dat in een strakke knot zat en een figuur dat nog steeds de elegantie van haar jongere jaren behield – slank, maar met een autoritaire houding die niemand durfde te negeren. Haar man was jaren geleden overleden, een rijke koopman die haar een fortuin had nagelaten, maar ook een eenzaamheid die ze vulde met roddels en kleine machtsspelletjes in het dorp. De mensen fluisterden over haar: ze was excentriek, misschien een beetje gek, maar niemand durfde haar te trotseren. Ze huurde Teun in om de tuin bij te werken – onkruid wieden, heggen snoeien, en af en toe een boodschap doen. Het betaalde goed, beter dan de fabriek ooit zou doen, en Teun had het geld nodig voor zijn dromen.

Die middag regende het pijpenstelen. Teun arriveerde doorweekt bij het huis, zijn laarzen soppend in de modder. Mevrouw Van der Linden deed open met een glimlach die te vriendelijk leek voor haar scherpe ogen. “Kom binnen, jongen,” zei ze met een stem die als fluweel klonk, maar met een ondertoon van bevel. “Je bent kletsnat. Ik kan je niet laten gaan zonder je op te warmen.” Teun aarzelde, maar de regen joeg hem naar binnen. Het huis was een labyrint van antieke meubels en stoffige boekenkasten, met een geur van lavendel en oud hout. Ze leidde hem naar de woonkamer, waar een haardvuur knetterde, en schonk hem een kop hete thee in. Hij ging zitten op de rand van een fluwelen stoel, ongemakkelijk, zijn natte kleren druppend op het Perzische tapijt.

Terwijl hij dronk, begon ze te praten. Over haar man, over de eenzaamheid van het weduwschap, over hoe de jaren haar hadden veranderd. Haar woorden waren als een web, subtiel spinnend om hem heen. Teun knikte beleefd, maar voelde een onrust opkomen. Ze zat tegenover hem, haar benen gekruist, en haar blik dwaalde af en toe naar zijn kruis, alsof ze iets zocht. “Je bent een knappe jongen, Teun,” zei ze plotseling, haar stem lager nu. “Zo jong, zo vol leven. Ik wed dat de meisjes in het dorp dol op je zijn.” Hij bloosde, mompelde iets over school en werk, maar ze wuifde het weg. “Nee, nee, vertel me de waarheid. Heb je al eens… je weet wel… met een vrouw gelegen?” De vraag hing in de lucht als een donderwolk. Teun verslikte zich bijna in zijn thee. Hij schudde zijn hoofd, te beschaamd om te liegen. “Ik… nee, mevrouw. Nog niet.”

Haar lach was zacht, bijna medelijdend. “Arme jongen. Dan is het tijd dat je leert.” Voor hij het besefte, had ze zijn hand gegrepen en trok ze hem mee naar een kamer achterin het huis – haar slaapkamer, een ruimte vol met zware gordijnen en een hemelbed dat leek op een troon. De deur klikte achter hen dicht, en Teuns hart bonsde in zijn keel. “Wat… wat doet u?” stamelde hij, terwijl ze hem op het bed duwde. Ze ging naast hem zitten, haar hand rustend op zijn dij. “Stil, Teun. Ik ga je iets leren. Iets wat je leven zal veranderen. Maar je moet gehoorzamen. Anders vertel ik je ouders over die diefstallen in de schuur – de appels die verdwijnen, de gereedschappen die kwijtraken. We weten allebei dat jij dat niet was, maar wie zullen ze geloven? Een oude weduwe of een jongen zoals jij?”

Het was een leugen, Teun wist het, maar de dreiging sneed als een mes. Zijn familie kon geen schandaal gebruiken; de boerderij hing aan een zijden draadje. Tranen prikten in zijn ogen, maar hij knikte, verslagen. Janneke glimlachte triomfantelijk en begon zijn shirt los te knopen. Haar vingers waren koel en vastberaden, alsof ze een pakketje uitpakte. Teuns adem stokte toen ze zijn broek openmaakte, zijn ondergoed naar beneden schoof. Hij was naakt van zijn middel tot beneden, blootgesteld in het zachte licht van een lantaarn. “Kijk naar jezelf,” fluisterde ze, haar hand glijdend over zijn borst. “Zo jong, zo puur. Raak jezelf aan, Teun. Laat me zien hoe je het doet. In je eentje, ‘s nachts in je bed. Doe het voor mij.”

Hij schudde zijn hoofd, zijn handen ballend tot vuisten. “Alsjeblieft, mevrouw… niet…” Maar ze boog voorover, haar gezicht centimeters van het zijne, haar adem warm tegen zijn oor. “Doe het, of ik roep de politie. Je wilt toch niet dat je dromen eindigen in een cel?” De tranen rolden nu over zijn wangen. Met trillende handen reikte hij naar beneden, zijn vingers aarzelend sluitend om zichzelf. Het voelde verkeerd, zo vies en bloot, met haar ogen op hem gericht als een roofdier dat zijn prooi bestudeert. “Langzamer”, commandeerde ze, haar stem een zwoel bevel. “Maak het mooi voor me. Vertel me wat je voelt.”

Teuns wereld kromp in tot dat moment, tot de kamer die draaide om het ritme van zijn hand. Hij sloot zijn ogen, probeerde te denken aan de velden, aan de rivier waar hij als kind zwom, maar haar aanwezigheid was overweldigend. Ze leunde dichterbij, haar hand nu op de zijne, sturend, dwingend. “Goed zo, jongen. Harder nu. Laat het los.” Haar woorden waren als gif, zoet en giftig tegelijk.

Minuten rekten zich uit tot een eeuwigheid; zweet parelde op zijn voorhoofd, zijn ademhaling werd gejaagd. Ze praatte door, over haar eigen jeugd, over verlangens die nooit vervuld waren, over hoe hij haar herinnerde aan een jongen van lang geleden. Het was een monoloog van dominantie, doorspekt met zuchten en aanmoedigingen die hem dieper in de schaamte duwden. Ze knoopte haar bloes open en duwde haar harde tepels in zijn mond. “Kijk eens wat ik voor je heb, lik mijn tepels maar’, zei ze met zwoele stem. Ze had een zware geur om haar heen, haar hand ging langzaam onder haar jurk.

Eindelijk, met een verstikte kreet, bereikte hij het hoogtepunt. Zijn lichaam schokte, en hij voelde zich breken – niet alleen fysiek, maar in iets diepers, een stukje onschuld dat voor altijd verloren was. Buurvrouw Janneke applaudisseerde zachtjes, veegde een traan van zijn wang met haar duim en veegde zijn sperma van zijn buik. “Zie je? Het was niet zo erg. Je bent nu een man.” Ze stond op, rechtte haar rok, alsof het allemaal een alledaagse les was. “Ga nu maar. En kom morgen terug. Er is meer te leren.”

Teun kleedde zich aan met bevende handen, zijn kleren plakkerig en koud. Buiten regende het nog steeds, harder nu, als om zijn verdriet te spoelen. Hij strompelde naar huis, de modder zuigend aan zijn laarzen, maar de modder in zijn ziel waste niet weg. Die nacht lag hij wakker, starend naar het plafond, de geur van lavendel nog in zijn neus. De volgende dag ging hij niet terug – hij kon het niet. In plaats daarvan pakte hij zijn spaargeld bij elkaar, stal een oude fiets van zijn broer, en fietste naar de stad. De fabriek nam hem aan, en hij verdween in de anonimiteit van de grote lichten.

Jaren later, als een man van veertig met een gezin en een klein huisje in de suburbs, dacht Teun nog wel eens aan die middag. Het was een litteken, een verhaal dat hij nooit vertelde, maar dat hem harder had gemaakt. Mevrouw Van der Linden stierf eenzaam in haar huis, omringd door spinnenwebben en ongeleefde dromen. En Teun? Hij leerde dat vrijheid soms begint met een leugen, een vlucht, en een hand die zichzelf vasthoudt in de donkerste uren.